Negatieve gedachten bij kinderen: hoe ga je daarmee om?

Negatieve gedachten bij kinderen: hoe ga je daarmee om?

“Ik kan dit toch niet.”
“Niemand vindt mij aardig.”
“Ik doe het altijd fout.”
“Ik moet dit perfect doen.”

Kinderen kunnen soms behoorlijk negatieve gedachten over zichzelf hebben. Misschien hoor je je kind regelmatig zeggen dat het iets niet kan, snel opgeven of zich terugtrekken wanneer iets spannend wordt.

Maar waar komen zulke gedachten vandaan?

En belangrijker nog: hoe kun je je kind helpen wanneer negatieve gedachten steeds terugkomen?

Onze gedachten ontstaan niet zomaar. Ervaringen, verwachtingen en overtuigingen spelen allemaal een rol in de manier waarop we naar onszelf en de wereld kijken. Soms ontstaan hierdoor vaste patronen in ons denken. In de psychologie worden zulke diepere overtuigingen ook wel schema's genoemd.

Wat zijn gedachteschema's?

Een schema is een diepgewortelde overtuiging over jezelf, anderen of de wereld. Schema's ontwikkelen zich door ervaringen die we in ons leven opdoen.

Een kind kan bijvoorbeeld steeds meer gaan geloven:

  • “Ik ben niet goed genoeg.”
  • “Ik moet alles perfect doen.”
  • “Andere mensen vinden mij niet aardig.”
  • “Ik mag geen fouten maken.”
  • “Ik moet anderen tevreden houden.”

Zo'n overtuiging ontstaat meestal niet door één gebeurtenis. Vaak is het een patroon dat zich door verschillende ervaringen heen ontwikkelt.

Schema's kunnen ons helpen om de wereld snel te begrijpen. Ons brein gebruikt eerdere ervaringen om situaties te interpreteren en voorspellingen te doen. Dat is handig. Maar soms klopt de voorspelling niet meer met de huidige situatie.

Waarom voelen negatieve gedachten zo echt?

Een gedachte kan heel overtuigend voelen, zonder dat de gedachte automatisch waar is.

Stel dat een kind een fout maakt tijdens een opdracht. Het denkt:

“Ik kan dit niet.”

Die gedachte kan vervolgens leiden tot onzekerheid of verdriet. Het kind geeft misschien op of wil de opdracht helemaal niet meer doen. Daardoor krijgt het kind vervolgens minder kansen om te ervaren dat het de opdracht misschien wel kan leren.

Zo kan er een patroon ontstaan:

Gebeurtenis → gedachte → gevoel → gedrag

En dat gedrag kan de oorspronkelijke overtuiging vervolgens weer versterken.

De vier G's: gebeurtenis, gedachte, gevoel en gedrag

Een eenvoudige manier om dit patroon te begrijpen is het model van de vier G's:

  1. Gebeurtenis – wat gebeurt er?
  2. Gedachte – wat denk je daarover?
  3. Gevoel – wat voel je daardoor?
  4. Gedrag – wat doe je vervolgens?

Neem bijvoorbeeld een kind dat een klasgenoot tegenkomt. De klasgenoot zegt geen gedag.

De gebeurtenis is dus: “Mijn klasgenoot zegt geen gedag.”

Het kind denkt: “Ze vindt me niet aardig.”

Daardoor voelt het kind zich afgewezen of verdrietig.

Vervolgens besluit het kind misschien om de volgende keer ook niets te zeggen of de klasgenoot te vermijden.

Maar er zijn natuurlijk ook andere verklaringen mogelijk.

Misschien zag de klasgenoot het kind niet. Misschien was diegene ergens anders met zijn gedachten. Of misschien was er iets anders aan de hand.

De gebeurtenis verandert niet. De betekenis die je eraan geeft, kan wel verschillen.

Kun je leren om anders naar gedachten te kijken?

Een onderdeel van cognitieve gedragstherapie (CGT) is het onderzoeken van gedachten en overtuigingen.

Je kunt bijvoorbeeld samen met een kind onderzoeken:

“Weet je zeker dat niemand je aardig vindt?”
“Welke andere verklaring zou er kunnen zijn?”
“Wat zou je tegen een vriendje zeggen als die dit over zichzelf zei?”

Hiermee leert een kind dat een eerste gedachte niet altijd de enige mogelijke uitleg is.

Dat kan helpen om negatieve of niet-helpende gedachten uit te dagen en er een meer helpende gedachte tegenover te zetten.

Bijvoorbeeld: “Ik kan dit niet.”

wordt: “Ik kan dit nog niet, maar ik kan het oefenen.”

Of: “Niemand vindt mij aardig.”

wordt: “Ik voel me nu buitengesloten, maar dat betekent niet dat niemand mij aardig vindt.”

Het doel is niet om ieder negatief gevoel weg te praten. Het gaat erom dat een kind leert om gedachten te onderzoeken in plaats van ze automatisch als waarheid aan te nemen.

Wat is ACT?

Een andere manier om met gedachten en gevoelens om te gaan is Acceptance and Commitment Therapy (ACT).

ACT kijkt anders naar moeilijke gedachten dan cognitieve gedragstherapie.

Waar CGT zich onder andere richt op het onderzoeken en veranderen van niet-helpende gedachten, leert ACT je juist om gedachten minder letterlijk te nemen.

Een belangrijke boodschap binnen ACT is:

Je hebt gedachten, maar je bent je gedachten niet.

Een kind hoeft een negatieve gedachte dus niet altijd weg te krijgen.

Stel dat een kind denkt: “Ik ben niet goed genoeg.”

Dan hoeft het niet per se te proberen om die gedachte te vervangen door: “Ik ben wél goed genoeg.”

Het kan ook leren: “Ik merk dat ik de gedachte heb dat ik niet goed genoeg ben.”

Dat klinkt misschien als een klein verschil, maar het kan helpen om wat afstand te creëren tussen het kind en de gedachte.

Gedachten zijn geen feiten

Kinderen kunnen leren om nieuwsgierig te worden naar hun eigen gedachten.

In plaats van: “Ik kan dit niet.”

wordt het: “Ik heb de gedachte dat ik dit niet kan.”

Dat betekent niet dat de gedachte meteen verdwijnt. Het kind leert alleen dat een gedachte niet automatisch bepaalt wat het doet. 

Dat kan ontzettend waardevol zijn. Een kind kan bijvoorbeeld bang zijn om een spreekbeurt te geven en tegelijkertijd toch besluiten om het te proberen. De angst hoeft dan niet eerst verdwenen te zijn.

Het kind leert dat het iets kan doen, ook wanneer een moeilijke gedachte of een lastig gevoel aanwezig is.

Ruimte maken voor moeilijke gevoelens

ACT gaat niet alleen over gedachten, maar ook over gevoelens. Kinderen kunnen proberen om angst, verdriet of onzekerheid weg te duwen. Dat is logisch. Niemand vindt het prettig om zich onzeker of bang te voelen.

Maar gevoelens zijn niet altijd iets wat je kunt wegdenken.

Soms helpt het juist om te leren: “Ik voel me onzeker en dat is oké.”

Of: “Ik ben bang, maar ik kan het toch proberen.”

Het doel is dus niet om ervoor te zorgen dat een kind zich altijd goed voelt.

Het doel is dat een kind leert dat het ook moeilijke gevoelens kan verdragen en ermee kan omgaan.

Wat zijn waarden?

Een belangrijk onderdeel van ACT is leven vanuit waarden.

Waarden zijn dingen die voor jou belangrijk zijn en die iets zeggen over hoe je wilt leven of wie je wilt zijn.

Voor een kind kunnen dat bijvoorbeeld zijn:

  • vriendschap;
  • eerlijkheid;
  • behulpzaamheid;
  • moed;
  • creativiteit;
  • zorgzaamheid.

Waarden helpen om keuzes te maken, ook wanneer iets spannend of moeilijk is.

Stel dat een kind bang is om afgewezen te worden, maar vriendschap belangrijk vindt. Het kan dan toch besluiten om een ander kind te vragen om samen te spelen. De angst hoeft daarvoor niet eerst verdwenen te zijn.

De angst mag er zijn, maar hoeft niet te bepalen wat je doet. Dat is een belangrijke vaardigheid voor veerkracht.

Kun je kinderen helpen om negatieve gedachten te herkennen?

Ja. Je hoeft daarvoor geen ingewikkelde gesprekken te voeren. Je kunt bijvoorbeeld samen stilstaan bij gedachten wanneer je kind iets spannend of moeilijk vindt.

Vraag:

“Wat dacht je net?”
“Geloof je dat die gedachte helemaal waar is?”
“Kun je ook anders naar deze situatie kijken?”
“Wat zou je doen als die gedachte er gewoon mag zijn?”
“Wat vind jij eigenlijk belangrijk in deze situatie?”

Op die manier leert een kind steeds beter herkennen wat er in het hoofd gebeurt. En dat bewustzijn is een belangrijke eerste stap.

Waarom is dit juist voor kinderen waardevol?

Kinderen ontwikkelen voortdurend ideeën over zichzelf en de wereld.

“Ik ben goed in rekenen.”
“Ik ben slecht in sport.”
“Ik ben verlegen.”
“Ik maak altijd fouten.”

Sommige overtuigingen kunnen helpend zijn, andere kunnen een kind beperken.

Juist wanneer kinderen al jong leren dat gedachten niet altijd feiten zijn en dat gevoelens niet altijd bepalen wat je kunt doen, krijgen ze belangrijke vaardigheden mee voor later.

Dat betekent niet dat je ieder negatief patroon kunt voorkomen. Wel kun je kinderen leren om er bewuster mee om te gaan.

Tot slot

We hebben allemaal patronen in ons denken. Sommige helpen ons, andere zitten ons soms in de weg.

Het doel is niet om een leven te creëren zonder negatieve gedachten, onzekerheid of moeilijke gevoelens. Dat bestaat niet.

Wat kinderen wel kunnen leren, is herkennen wat er in hun hoofd gebeurt, gedachten minder letterlijk nemen en ontdekken welke keuzes passen bij wat voor hen belangrijk is.

Dat geeft ruimte.

Je hoeft niet te wachten tot een moeilijke gedachte verdwijnt om iets te durven doen. Je kunt leren om ermee om te gaan.

Oefenen met gedachten in Sterk van binnen

In het doeboek Sterk van binnen gaan kinderen op een laagdrempelige manier aan de slag met hun gedachten en gevoelens.

Ze ontdekken onder andere:

  • welke gedachten ze hebben;
  • hoe gedachten invloed kunnen hebben op gevoelens;
  • hoe gevoelens invloed kunnen hebben op gedrag;
  • dat een gedachte niet altijd een feit is;
  • hoe ze gedachten kunnen onderzoeken;
  • hoe ze kunnen omgaan met moeilijke gedachten en gevoelens.

Zo leren kinderen niet dat ze alleen maar positief moeten denken.

Ze leren iets belangrijkers:

Ik hoef niet iedere gedachte te geloven. Ik kan ontdekken wat er in mijn hoofd gebeurt en vervolgens kiezen wat ik wil doen.